Alleen
2005-08-22
Grauw licht valt door het raam in de kamer. Grote stromen water trekken over het glas. Er is niets te horen dan het tikken, stromen, gieten buiten. Imke zit stil op het bed. Ze heeft haar benen opgetrokken en houdt ze stevig vast. Ze staart naar de deur. Hij kan ieder moment weer binnenkomen. Ze weet nooit wanneer hij komt. Soms komt hij ’s ochtends ontbijt brengen, soms komt hij midden in de nacht huilend binnen. Dan zegt hij niets, maar blijft in de deuropening staan snikken.Imke strijkt over de blauwe plek op haar knie. Onder haar ogen blijven tranen liggen. Gisteravond had hij naar haar gekeken terwijl ze zijn koude sperziebonen naar binnen werkte.
“Je bent zo mooi als je eet,” had hij gezegd. Ze durfde niet van het schaaltje op te kijken. Hij had vergeten de deur op slot te doen en ze vreesde dat de minste blik het zou verraden.
“Ik heb nagedacht over ons,” begon hij. Zo begon hij bijna ieder gesprek. Hij dacht veel na.
“En ik denk, dat het zo goed is. Je hoeft niet te werken, je hoeft de geile blikken van andere mannen niet te verdragen, we hoeven niet bang te zijn dat je verliefd wordt op een ander. Je bent veilig, bij mij. En ik kan voor je zorgen. Ik heb geld en ik geef je genoeg te eten. Eigenlijk hebben we het heel goed, met zijn tweetjes.”
Ze antwoordde niet en keek niet naar hem op. Met duim en wijsvinger nam ze een groene boon en stak hem in haar mond.
“Je kunt van me houden, ik weet het zeker. Zoals je naar me keek, in het winkelcentrum, die blik…”
“Dan had je me moeten laten gaan. Misschien was ik dan vanzelf naar je toegekomen. Toen kon ik misschien nog voor je kiezen.” Scherp keek ze hem aan, veegde haar hand af aan haar décolleté en ging rechtop zitten.
“Je overschat de vrije wil!” schreeuwde hij en stootte een lampje van het kastje naast hem. “Zoals een hond gaat houden van een goed baasje, zo moet je van me houden! Een hond hoeft niet te kiezen voor zijn baas, maar er is geen sterkere liefde dan die tussen hond en baas. Ze zouden hun leven voor elkaar geven en er zelfs niet over twijfelen om elkaar in te ruilen!” Hij kreeg rode vlekken op zijn wangen van opwinding.
Met knikkende knieën stond ze op en ging voor hem zitten. Het was de eerste keer dat zij toenadering naar hem zocht. Met haar nagels in haar handpalmen hoopte ze dat hij niet achterdochtig zou worden. Hij legde zijn hand op haar hoofd en zweeg. Ze voelde hoe zijn agressie wegebde.
“Vertel me over je vorige liefde,” fluisterde ze.
Hij bleef in de verte staren en begon zacht te vertellen over zijn moeder, over meisjes op posters, over de juffrouw die bij de kantine van zijn sportschool werkte.
“Ik had nooit zo’n afgetraind lichaam gekregen, als zij daar niet werkte,” mijmerde hij. Een dwaze glimlach ontsierde zijn grove gezicht. “De eerste keer dat ik er kwam, zag ik haar meteen. Ze was zo verzorgd, ronde blonde krulletjes om haar onschuldige gezicht, een zilveren ringetje door haar neusvleugel. En altijd lachte ze naar me. Ze was zo mooi, zo spontaan… Ik kwam er iedere dag, alleen voor haar.” Hij schudde zijn hoofd en zweeg weer. Imke ging een beetje verzitten, iets dichter bij de deur zat ze nu.
“Wat is er gebeurd, dat jullie niet meer bij elkaar zijn?”
“Ik heb nooit een andere vrouw aangeraakt dan jou!” schreeuwde hij plotseling en gaf haar een harde duw. “Nooit! Ik ben niet zoals jij! Ik hou alleen van jou!”
Hij greep haar polsen en hield ze stevig op de grond. Hij bracht zijn gezicht vlakbij het hare, woede kolkte in zijn ogen. “Dat moet je leren! Om alleen bij mij te zijn!”
Uitzinnig begon hij haar nat te zoenen, zijn lippen over de hare, zijn tong diep in haar mond. Haar gillen werd gesmoord in zijn keel, haar spartelen had nauwelijks zin tegen zijn sterke lichaam. Met een hand hield hij haar handen vast, met de ander probeerde hij haar bloes te openen. Even hield ze zich slap, toen zette ze op het juiste moment kracht en plantte haar knie tussen zijn benen. Hij schoot van haar af, ze stond op zo snel ze kon en trok de deur open. Voor het eerst zag ze de rest van zijn flat. Alles was grijs, zoals de regen buiten. De voordeur gaf niet mee, ze zag de dievenklauwen niet. In de kamer hoorde ze hem schreeuwen. Ze vluchtte zijn slaapkamer in en graaide naar een telefoon. Snel toetste ze één-één-twee. Op de gang hoorde ze zijn voetstappen.
“Foei!” denderde zijn stem door het huis.
“Help! Help me dan!” gilde ze in de hoorn. Een rustige vrouwenstem stelde vragen die ze niet verstond.
“Traceer de lijn, ik weet niet waar ik ben maar hij laat me nooit meer gaan!” huilde ze terwijl hij de kamer in kwam stormen en de telefoon uit haar hand sloeg. Ze viel achterover en hij plantte zijn hak op haar middenrif.
“Lotje, je weet dat je één-één-twee niet voor de grap mag bellen!” zei hij op bestraffende toon. Toen excuseerde hij zich tegenover de telefoniste en hing op.
“Dat flik je me niet meer,” zijn stem klonk hees van ingehouden woede.
“Het spijt me zo het spijt me zo,” piepte Imke. Huilend kromp ze ineen. Hij tilde haar ruw op en trok haar mee naar het grauwe kamertje. Met een smak gooide hij haar op het bed en deed de deur weer op slot.
De hele nacht had ze weggedoken gezeten, zoals ze nu nog zit. De beige deken prikt onder haar blote voeten. Vermoeid van afkeer blijft ze naar de deur kijken. Zou hij er nog zijn? Ze hoort hem niet ijsberen, ze hoort alleen de regen op het raam. Een rilling loopt over haar rug. Ze krijgt die ene zin niet uit haar gedachten, zo eerlijk en gemeend gesproken.
“Ik hou alleen van jou!”