De kleine man die zich veilig waande tussen zijn boeken

2004-12-05

Met de schaar in zijn hand knielde de kleine man bij zijn telefoontoestel. Nog eenmaal nam hij de hoorn van de haak en luisterde naar de kiestoon. Hij bleef even zo zitten en dacht aan de keren dat hij dit geluid had gehoord, vlak voordat hij zijn geliefde zou bellen. Zenuwachtig was hij geweest, in het begin. Later was hij opgewekt, soms alleen gewoontetrouw, meestal wilde hij haar ook iets liefs zeggen. En sinds vorige week was er een heel scala aan nieuwe emoties gepaard gegaan met deze toon. Angst, dat zijn vermoedens bevestigd zouden worden. Woede, omdat ze had opgehangen na zijn beschuldigingen. Wanhoop, of ze hem zou vergeven. Hulpeloos, sentimenteel, wraakzuchtig en uiteindelijk moedeloos had hij hiernaar geluisterd, vlak voordat hij haar zou bellen.
Met hangende schouders liet hij de hoorn op de grond zakken en zette de schaar in het snoer. Hij sprong wild achteruit. De korte, harde knal had hij niet verwacht. Hij stond kaarsrecht en ademde diep, zijn hart bonsde in zijn borst. Kleine druppeltjes zweet prikten van schrik op zijn voorhoofd. Met bevende vinger betastte hij zijn schaar. Er was een klein putje in het blad geslagen.
Na een paar stille minuten hingen zijn schouders weer als tevoren. “Nu ben ik veilig,” sprak de man tot zichzelf. “Helemaal alleen, met mijn boeken. En boeken zijn je vrienden, heb ik eens gelezen. Ach, waar stond dat ook al weer?” Hij slofte naar een van de hoge eikenhouten kasten die hem omringden. “Het moet filosofie geweest zijn, dat weet ik zeker,” mompelde hij en streek met zijn duim langs een leren band. “Ja, lieve vriend, misschien ben jij het wel geweest. Of je buurman.” De kleine man las de gouden letters ‘Hadewijch’ op het boek ernaast en zei: “Pardon, buurvrouw. Ach ja, natuurlijk, zoiets vriendelijks moet door een vrouw gezegd zijn.” Vanachter dikke brillenglazen streelden zijn ogen de ruggen van de zo gekoesterde boeken, op zoek naar de enkele vrouwen in deze kast. Op de onderste plank, bij Martha Nussbaum, rustte zijn blik. Zij kan denken, ja dromen in het Grieks, dacht hij. Hij nam een van haar lijvige werken van de plank. Zijn ene hand rustte op de omslag. Hij staarde ernaar zonder te zien. Jaren terug bewonderde hij haar hevig. Och, die beheersing van Aristoteles, die fijnzinnige beheersing! Die scherpe kritiek op de stoïcijnen, ja die had hem werkelijk aangegrepen. Nu bracht zij alleen de herinnering terug, geen wild enthousiasme of onbedwingbare lust tot lezen. De man wankelde even en mompelde: “Ja, Martha, jij was het. Jij zei dat boeken je vrienden waren.” Toen schoof hij zonder twijfel de dikke pil terug op zijn plaats. De liefde was gesleten, het had geen zin om terug te keren naar Nussbaum.

De man slenterde de trap op. Misschien had hij wel uren in zijn leren fauteuil gezeten, bladerend in geschiedenisboeken. Vooral de Eerste Wereldoorlog trok hem vandaag. Er stonden mooie platen van Duitse soldaten in zijn bundels. Op weg naar het front waren ze al overtuigd van hun overwinning. Krijtletters op het houten zijpaneel van een wagon: “Ausflug nach Paris – Auf Wiedersehn auf dem Boulevard”. Het stemde de kleine man aangenaam melancholisch. Zelf had hij nooit oorlog meegemaakt, maar hij wist er alles van uit de geschriften. Niet lang na deze foto stonden dezelfde mannen in loopgraven. Op de foto ballen ze hun vuist nog en kijken nors, zelfverzekerd boven hun snorren uit. Het afgrijselijke bestaan, uitzichtloos en uitwegloos, wachtte ze op. Niets daarvan was op deze plaat te zien. Toch was het waar.
Op de overloop stonden hoge boekenkasten en opgestapelde boeken die nergens meer tussen pasten. De man bleef staan bij een hoge toren spannende romans. “Het was iets met Airforce,” murmelde hij. Traag duwde hij zijn grijze haar tegen zijn hoofd en kneep zijn ogen een beetje toe. “Niet hier? Dan zal het zeker…” Terwijl hij langzaam naar zijn slaapkamer liep las hij over zijn schouder nog een keer de titels uit de stapel. “Ik zou toch zweren dat ik hem hier had liggen…” zei de man en fronste. Hoofdschuddend liep hij door zijn kamer en ging op zijn tweepersoonsbed zitten. Zijn bril gleed naar het puntje van zijn neus toen hij de pockets op de bovenste plank bekeek. Af en toe glimlachte hij. Dan herinnerde hij zich een prettige leeservaring of een goede grap.
“Ach wat doet het er ook toe,” hij liet zich met een zucht achterover vallen. “Het was toch een flutboek!” Hij staarde naar zijn plafond en dacht na over de oorlogsthriller die hij zocht. Uiteindelijk geeuwde hij diep en rolde op zijn buik. Er hing een lange plank tegen de verder lege, donkerrood geschilderde muur tegenover hem. Op die plank stond zijn Couperus-collectie, aan weerzijden gesteund door een klein borstbeeld van de excentrieke schrijver. “Misschien is nu het juiste moment,” sprak hij ferm tot zichzelf, “om daar weer eens iets van te lezen.” Hij stond op en liep naar zijn zilveren trots. Hij las langzaam de woorden op de banden. Aan het eind van zijn plank had hij nog geen titel gevonden die hem aansprak. Even aarzelde hij, toen nam hij De boeken der kleine zielen ter hand. Op een hoek van zijn bed ging hij zitten en sloeg het boek voor de eerste keer open, waar het verhaal begon. Traag volgden zijn ogen de letters, zacht zei hij de woorden op. Zinnen vloeiden bijna onhoorbaar van zijn lippen. Melodieus, onbegrepen. Na een tijdje sloeg hij om en stopte met lezen. “Waar ben ik in hemelsnaam mee bezig?” Hij beet op zijn nagel en keek naar de lege plek op zijn plank. “Ik zou niet weten wat ik net gelezen heb, Louis,” zei hij. “Je bent niet tot me doorgedrongen vandaag.” Hij zette De boeken der kleine zielen terug. Daar staat het ook veel mooier dan op mijn nachtkastje, troostte de kleine man zichzelf.

Een lekker stuk kalkoen zou me goed doen, dacht de kleine man. Zonder omkijken verliet hij zijn slaapkamer. Hij huppelde bijna de trap af, verheugd om wat hem in de keuken te wachten stond.
“Grootmoeders kookboeken!” riep hij toen hij zijn keuken in kwam stormen. “Ik begin gewoon bij de D! Kom in mijn armen lekker ding!” Zwierig tilde hij het bruinige boek tussen zijn gelijken vandaan en sloeg het op een willekeurige plek open. “Gevulde duif! Wat een fantastisch idee!” Hij holde met het opengeslagen boek naar de eettafel en ging snel zitten. “Met kalfsgehakt! Ja, zo maakte grootmoeder het! De duif zo mals, het gehakt zo… zo… zacht! Met een scheutje madera en stukjes truffel, drie kwartier braden zodat het hele huis ernaar ruikt! Wat een tijden!” Het water liep de man in de mond. Hij schoof het boek wat opzij en liep terug naar de keuken. “Een aperitiefje! En een voorgerechtje! Hoe kan ik nu een maaltijd beginnen met gebraden duif! Wat ben ik toch een barbaar!” Grinnikend om zichzelf nam de man zijn Groot Voorgerechtenboek uit de kast. “Kalfsleverpâté of een Garnalencocktail?” vroeg hij terwijl hij terug naar de eettafel liep. “Ik heb het maar te kiezen! Misschien kan ik toch beter meloen met gerookte ham nemen. Dat past het beste voor duif, denk ik. Hmmm… zoete sappige blokjes meloen, in het flinterdunne zoute vlees!” De man sloot zijn ogen en stelde zich zijn voorgerecht voor.
“Wat is dat?” Verstoord keek hij op van zijn kookboeken. Na een paar seconden hoorde hij het weer. “Nee toch! Ik dacht dat ik duidelijk gemaakt had dat ik hier geen zin in had! Heeft zo’n telefoon geen oren?” De man sloeg met zijn vuist op tafel. “Wie niet horen wil moet voelen!” Hij griste zijn schaar van tafel en stormde de trap op. Hij sloeg met de tussendeur en stootte een stapel romans op de overloop om. Achter zich hoorde hij ze vallen. Voor het gedonder uit vluchtte hij zijn studeerkamer in en smeet de deur achter zich dicht.
Schemerlicht viel door een raam naar binnen, vanaf de grauwe planken staarden dezelfde woorden hem honderd keer aan: ‘oncologie’, ‘celdeling’, ‘cancer’. De kleine man kreeg het plotseling heel benauwd bij het zien van deze woorden. Al jarenlang bestudeerde hij het fenomeen, maar nu verkrampte hij. Hij voelde hoe de moedervlek in zijn hals begon te jeuken. “Ohnee… ohnee… dit kan míj niet overkomen…” Zijn wangen werden nog bleker in het avondlicht. Een onaangenaam gevoel kroop vanuit zijn onderbuik omhoog. “Nee, dit kán mij helemaal niet gebeuren,” prevelde hij en graaide beverig naar zijn hals. Onvast draaide hij zich om en verliet met knikkende knieën zijn studeerkamer. Op de gang bleef hij staan en zag de chaos die hij achter zich verspreid had. Daar lag Oorlog en Vrede halfopen, daaronder de Avonden met gevouwen kaft. “Raken zo de boeken beduimeld?” vroeg hij met tranen in zijn ogen. Hij knielde om Reve uit zijn benarde positie te helpen, toen hij het gehate geluid weer hoorde. “Laat me met rust!” riep hij schel en schoot overeind. Hij greep zijn schaar weer en ademde diep in voor hij zijn studeerkamer open deed. Met zijn kin op de borst, om maar geen woord te lezen, rende de kleine man door zijn grote kamer naar zijn massief houten bureau waar het gerinkel vandaan kwam. Daar rukte hij het snoer uit de muur en knipte het kordaat door. Geen knal dit keer. Trots wilde hij zich op de borst slaan, maar een diep rochelende hoestbui overviel hem. Oncologie, celdeling, cancer. Kanker, longkanker. Snel deze kamer uit, nooit meer terugkomen, vlug vlug! Flarden van gedachten schoten door hem heen terwijl hij paniekerig de gang op struikelde. Hoog torenden ook daar de kasten vol letters, woorden, zinnen, verhalen en informatie boven hem uit. “Boeken zijn je vrienden,” sprak hij kleintjes tot ze. De hoestbui brandde nog na in zijn borst. Eindelijk knielde hij en pakte de Avonden. “ ‘Ik heb een fles wijn gekocht voor vanavond,’ antwoordde ze.” De kleine man kreeg een droge keel. “Niet de wijn,” kreunde hij, “de afschuwelijke teloorgang van de blijde verrassing!” Lijdzaam las hij hoe Frits ontdekt dat moeder dure vruchtensap heeft gekocht, geen wijn. Twee pagina’s later stroomden de tranen over zijn wangen: “ben je verdrietig? Zullen we samen huilen? Zullen we samen fijn zielig doen?” Niets is zo erg als het schijnbaar gelukkige moment, waarop je niet afweet van het afgrijselijke lot dat je opwacht! In een opwelling gooide de man het boek van zich af. Het raakte een stapel boeken aan het andere eind van de gang. De toren wankelde, stortte toen in.
Huilend kroop de kleine man zijn slaapkamer in en begroef zich onder zijn dekbed. “Ik heb nog nooit zo’n afschuwelijke kerst gehad,” snikte hij in zijn kussen.