Geborgen ontsluiting

2006-12-22

Het is duidelijk wat er die avond is gebeurd. Toch zal niemand het geloven. Daarom verberg ik ons verhaal tussen even zo waanzinnige leugens. Ik zit op een politiebureau, Erik, en ik vertel alles.

De verwarming tikte zacht, daarachter klonk het spitsuur op de provinciale weg. Forenzen keerden terug naar hun aangename woningen in hun dorpjes.
Een uur eerder waren wij hier aangekomen, toen het net begon te schemeren. Regen droop van onze jassen op de tegels in de hal. In zijn woonkamer hing een bescheiden luchter, maar Erik deed juist alle andere lichten aan. Ik zakte in de zachte bank en herschikte mijn haar. Hij liep naar de keuken en kwam even later terug met een schort voor.
Erik begeleidde mijn promotieonderzoek. Velen had hij zo de academische wereld in geholpen. Hij was zeer ervaren en deed dit werk met alle toewijding. Maar officieel zou ik de laatste zijn, hij was al enkele jaren met emeritaat. Misschien dat onze samenwerking daarom bijzonder voor hem was. Zelf geloof ik zulke banale verklaringen liever niet. Hij was pas weduwnaar geworden; ik droeg een ring om mijn vinger en een verse vrucht in mijn buik. Nee, onze liefde stoelde op onze gedeelde fascinatie voor het nationaal-socialisme en we werden bijeengebonden door onze ontdekkingen.
Uit de keuken geurde groentesoep en ik merkte dat ik honger had. Erik ging tegenover me zitten en legde zijn handen in zijn schoot.
“Hoe gaat het?” vroeg hij, en zijn glimlach gaf me moed.
Mijn onderzoek richtte zich op Max Nordau, de geestelijke vader het concept entartete Kunst, nog voor de nazi’s ermee aan de haal gingen. Ik las zijn alles wat hij had geschreven aandachtig en in gedachten debatteerde ik dagelijks met hem. Tot nu toe had ik weinig contact gehad met Erik. Wanneer wij elkaar spraken werd duidelijk dat ik nog geen onderzoeksvraag had en nog niet gericht aan het werk was. Hoewel ik bang was geweest dat vandaag niet anders zou lopen, had ik zijn uitnodiging niet durven afslaan. Nu ik hier zat hoopte ik dat hij me zou helpen een vraag te vinden waarmee ik de stof kon ordenen.
“Een originele insteek heb ik nog niet,” antwoordde ik, “maar ik heb Entartung goed gelezen en ook al veel secundaire literatuur.”
“Over secundaire literatuur gesproken,” zei hij, en nam een reader van zijn salontafel. “Misschien kun je hier iets mee. Het is collegestof voor de nieuwe studenten.”
Inleiding tot cultuur en litteratuur, las ik op het omslag. Daaronder stond de naam van de vrouw die mijn afstudeerproject had begeleid, dr. A. van Wijn. Uit de inhoudsopgave maakte ik op dat het om een lang essay van haar hand ging, misschien zelfs een vroege versie van haar volgende boek.
Met zijn handen tussen zijn knieën gevouwen keek hij me verwachtingsvol aan. Ik sloeg een pagina om en begon de inleiding te lezen. Een lok gleed langs mijn wang. Erik observeerde me alsof ik iets magisch deed en op de een of andere manier voelde ik me verantwoordelijk om zijn illusie niet te verstoren. Ogenschijnlijk had het niets met mijn onderzoek te maken. Tot ik bij het kopje ‘fin de siècle’ kwam. Wat ik daar las kwam me akelig bekend voor. Doet Van Wijn echt alsof ze dit zelf heeft bedacht? Ik sloeg de reader dicht en keek nog eens naar het omslag.
“Dit is ongelofelijk,” stamelde ik.
“En dit is pas de inleiding,” antwoordde Erik.
“Ze... ze presenteert het als een feit, dat... dat...” Ik zocht in de inhoudsopgave naar iets om te zeggen. “Alsof het haar eigen ideeën zijn!”
“Blijf jij maar even lezen, dan maak ik soep voor ons.” Erik glimlachte en liet mij verdwaasd achter in zijn woonkamer.
Zijn laatste opmerking drong nauwelijks tot me door. Ik was mijn honger en verantwoordelijkheidsgevoel totaal vergeten en werd opgenomen door de magische woorden uit Inleiding tot cultuur en litteratuur. Op dat moment was het, alsof Nordau zelf antwoord gaf op de honderden vragen die ik hem stelde, alsof hij eindelijk de discussie aanging. Met de bekende woorden, maar strenger, zelfverzekerder, levender dan ik ze ooit was tegen gekomen.

Drie maanden later begaf ik me met een stapel pamfletten naar de faculteit. Het was pas drie uur, maar het begon al te schemeren. Erik en ik lagen mijlenver uiteen. Waar hij zijn leven aan het afbouwen was, stichtte ik nieuw. Wij merkten het telkens wanneer we trachtten ons contact te verbreden, maar in het verzengende licht van onze ontdekkingen hield geen verschil stand. Soms zat ik tot diep in de nacht op zijn zachte sofa te schrijven. Hij zat naast me en liet af en toe iets zien dat hij belangrijk vond. We spraken niet veel, maar wisselden betekenisvolle blikken uit. Hoewel hij meestal begon met koken, vergaten we vaak te eten. Om twee uur rekte hij zich dan uit en bracht me met zijn auto naar huis. Wanneer ik naast mijn echtgenoot in bed lag tuimelden de gedachten en gevoelens over elkaar, verdrongen om het hardst de slaap die ik nodig had. Het ging goed met mijn onderzoek en ik vreesde de dag dat het af zou zijn.
“Wat doe je?” vroeg een blonde studente me.
“Ik maak publiek dat Van Wijn een vuile nazi is, die plagiaat pleegt bovendien!” antwoordde ik. De tekst was bijna letterlijk voorgelezen van het pamflet dat ik op het prikbord hing.
“Oh? Ik heb nog nooit gemerkt dat ze iets naars zei over joden.”
“Niets gemerkt? Niets gemerkt! Bah! Daarom komt ze er mee weg! Omdat jullie het toch niet lezen! Dit is toch stof?” riep ik, en trok de reader uit mijn schoudertas.
Het meisje las de voorkant en knikte.
“Nou, verdomme! Hier staat het allemaal in! Ze weigert met mij in discussie te gaan, maar het is overduidelijk!”
“Sorry, ik moet nu naar college,” verontschuldigde ze zich, en vluchtte een collegezaal in. Laf, laf, laf! Zo laf als Van Wijn zelf! Ik besloot te wachten tot haar college was afgelopen, zodat ze er niet onderuit kon. Ze moest zien wat er allemaal mis was met Inleiding tot cultuur en litteratuur. Het moest publiek worden! Een promotiestuk wordt bijna niet gelezen, dat was geen fatsoenlijke zeepkist voor een zaak als deze. Dit was een schandaal voor de voorpagina’s van alle kranten!
Twee uur later hingen ze aan ieder woord dat ik sprak, de wetenschappers in spé die uit de collegezaal kwamen. Ik demonstreerde hoe Van Wijn overduidelijk Nordau napraatte zonder enige bronvermelding. Ze waren allemaal stomverbaasd door mijn ijzersterke bewijzen en herlazen zwijgend de reader met hele andere ogen.
“Maar,” vroeg het blonde meisje, “je zei dat Van Wijn nationaal-socialist is. Maar Nordau is toch joods?”
“Ja, dat ze Nordau napraat betekent niet dat ze nazi is. Maar we hebben ook nog lang niet de hele tekst besproken! Zullen we dat een andere keer doen?” Ze waren echt geïnteresseerd, de jonge wetenschappers, en we maakten een lunchafspraak voor later die week.
Die avond belde Erik.
“Dat mag je niet meer doen,” zei hij. Hij klonk afstandelijk en ik wist niet hoe ik moest reageren.
“Ik heb Inleiding tot cultuur en litteratuur besproken met de studenten,” begon ik onzeker.
“En je hebt lasterende posters verspreid. Je moet de strijd niet op deze manier voeren, geen onrust stoken,” antwoordde hij streng. De euforie van die middag was op slag verdwenen en ik voelde me als een traktor op een eenbaans autoweg. In de binnenspiegel zag ik Erik naderen, in een porsche.
“Jouw naam staat niet op de pamfletten,” drukte ik me in de berm. In de hoop dat hij me zonder remmen zou passeren. Maar hij bleef achter me.
“Daar gaat het niet om. Zo presenteer je geen onderzoek. Je stapt niet naar propedeusestudenten met de eerste de beste ontdekking die je doet. Eérst maak je fatsoenlijk je onderzoek af. Dan schrijf je een artikel, en dat bied je aan vakbladen aan. Jij hebt nog een hoop te leren.”
“Sorry,” antwoordde ik met geknepen stem, en kon maar net ophangen voor mijn ademhaling duidelijk hoorbaar ontregelde.
“Wat is er?” vroeg mijn man. Hij kwam naast me zitten en legde zijn arm om me heen. Al wist hij nog minder van mijn onderzoek dan ik van zijn enzymen, hij bedoelde het goed. Ik zuchtte en zei dat mijn promotor niet wilde dat ik mijn campagne voort zou zetten.
“En dat ga je doen?” vroeg hij verontwaardigd. “Zo ken ik je helemaal niet!” Hij ging rechtop zitten en nam mijn kin in zijn hand.
“Jij ben een vechter, een doorzetter! En je laat je door niemand de wet voorschrijven! Je gaat donderdag gewoon naar die lunch, hoor je me? Al moet ik je er zelf heen brengen!”
Tranen rolden in zijn handpalm, ik kon er niets aan doen. Hoe vaak ik mijn huwelijk de laatste maanden ook als tijdrovende kostenpost had gezien, op dit moment kon ik me niets waardevollers voorstellen dan zijn steun.
“Ik ga naar die lunch,” beloofde ik. “Ik zal ze een poepie laten ruiken.”

Een uur heb ik gewacht, die donderdag. De ober keek me meewarig aan en bracht me op het laatst zelfs een gratis koffie. Er kwam niemand. Zonder afzeggen lieten ze me barsten met mijn boeken en grote verhalen.
Toen ging een groepje jonge mensen aan het tafeltje naast me zitten. Ik kende ze niet, maar ze keken naar mij en ik hoorde wat ze over me fluisterden. Dat ik gestoord was en schizofreen. Dat ik Van Wijn had bedreigd, psychische hulp weigerde en Erik lastig viel.
Het was het faculteitsbestuur, wist ik op dat moment, dat mijn promotor tegen mij had opgezet en mijn studenten had verboden mij te ontmoeten. Onderweg naar huis beet ik mijn onderlip stuk.

Toen ik zes maanden zwanger was, kon ik niet meer ontkennen wat ik al langer aan zag komen. Onze nachtelijke studies konden niet langer plaatsvinden. Ik werd emotioneel, kreeg honger en kon me niet goed meer concentreren. Vanaf dat moment begon ik Erik minder te zien. Hij stelde zelfs voor dat ik mijn onderzoek zou laten liggen tot na de bevalling. Dat was iets, waar ik niet mee akkoord kon gaan. Alleen, in de bibliotheek of thuis, worstelde ik voort. Omdat Erik me niet meer wilde zien – wilde hij soms in zijn eentje met de eer gaan strijken voor onze gezamenlijke arbeid? – besloot ik mijn protestactiviteiten te hervatten. Ik verspreidde nieuwe pamfletten en trachtte contact op te nemen met de studenten die Inleiding tot cultuur en litteratuur op college hadden behandeld. Maar zij weigerden dit pertinent. Dit was hen uiteraard ingeprent door het faculteitsbestuur. Dat bestuur werkte mij op alle mogelijke manieren tegen en ik belandde zelfs op een lijst van personen die niet welkom waren in universiteitsgebouwen.
In deze tijd heeft Van Wijn me slechts een keer opgezocht. Ik was juist een openbare lezing over het hele geval begonnen en de stenen muren van de faculteit luisterden aandachtig, toen zij mij stoorde.
“Je bent een erg moeilijk mens,” zei ze. Ik antwoordde niet. Als ze geen inhoudelijke discussie met mij wilde aangaan, hoefde ik ook geen persoonlijk gesprek met haar. Toen ze zich omdraaide richtte ik mij weer tot het gebouw dat overal getuige van was geweest.
Omdat mijn pamfletten onmiddelijk werden verwijderd en mijn inhoudelijke, prettig leesbare en zeer goede artikelen door het faculteitsblad werden geweigerd, wilde ik aangifte doen van censuur. Maar ik werd niet serieus genomen op het politiebureau. Ook mijn klachten over openlijk nazisme en plagiaat werden niet genoteerd. Ik kreeg niet eens de gelegenheid bewijsmateriaal aan te leveren.
Verbitterd en verzuurd werkte ik verder op de manier waarvan Erik had gezegd, dat het de enige was. Met succes. Nog voor ik acht maanden gevorderd was stuurde ik Erik een pakket met de eerste versie van mijn proefschrift.
Een week later nodigde hij me uit voor een gala in Gent.
“Het is ter afsluiting van een congres,” legde hij uit. “Je zult er veel mensen leren kennen waar je in je verdere carrière wat aan hebt.”
Hetzelfde zei hij toen we door de straten van Gent liepen. Een zijden avondjurk spande om mijn kind en fladderde in de wind.
“Vanavond is je kans, lieve kind.”
Maar hij bedoelde veel meer dan dat, besefte ik me toen ik met een gebroken hak en gescheurde jurk naar het operagebouw staarde, zonder op te vallen tussen alle omstanders. Uit alle ramen van het neoklassieke monster sloeg de brand. Rook prikte in mijn neus, tranen in mijn ogen. Erik was nergens te bekennen. Ik wist waarom, nu.

Erik leidde me het gebouw binnen en vertelde verhalen over de andere gasten.
“Zie je die man met die rode neus?” fluisterde hij, en knikte naar een groepje dames dat koket lachte om de grappen van een dikke figuur in hun midden. “Hij heeft twintig jaar geleden één belangrijke ontdekking gedaan over Der Prozess van Kafka. Sindsdien wordt hij uitgenodigd op alle conferenties die maar iets te maken hebben met macht in de Duitse cultuur, maar voor zover ik weet is die ontdekking toeval geweest. Ik heb hem nog nooit iets van belang horen zeggen. En zie je die blonde dame naast hem, die lijvige?”
Ik stelde me voor dat andere gasten op dezelfde toon bespraken wie de dame aan Eriks arm was en gloeide van trots. De rode loper voerde ons een grote zaal binnen. Voorin was een podium met een groot projectiescherm en daarnaast een klassieke katheder. Wij zochten een plek in het midden van de zaal, zodat we recht voor het scherm zaten. Mijn hand lag op de leuning tussen ons en terwijl Erik verder vertelde over de gasten legde hij zijn hand op de mijne. Ik keek hem aan en zag in zijn ogen dat dit geen vaderlijk gebaar was. Om ons heen vulden de stoelen zich ongemerkt en het gouden licht dimde.
“Goedenavond dames en heren,” sprak een man op het podium. “Wij openen dit gala met de presentatie van een heel bijzonder boek…”
Ineens zag ik bij het katheder, nu nog buiten de schijnwerper, Van Wijn staan. Ik keek naar Erik, maar hij had nog niets door. Misselijkheid golfde vanuit mijn onderbuik tot in mijn kruin. Ik hield mijn adem in en kneep mijn ogen dicht tot ik duizelig werd, maar mijn maag bleef tegen mijn middenrif schurken. Ik trok mijn klamme hand onder die van Erik vandaan en stond onhandig op.
“Excuseer,” mompelde ik terwijl ik tegen een paar knieën botste en met mijn buik het zicht van de halve zaal verstoorde. Mensen gingen scheef zitten zodat ik er beter langs kon, maar in mijn haast gleed ik uit over mijn jurk. Een oude man ving me op bij mijn schouder. In een flits herkende ik zijn rode neus. Irrelevant, dacht ik, hij is al twintig jaar geestesdood. Ik herstelde me en manoeuvreerde zwetend verder tot ik uit ieders blikveld was.
Buiten de zaal liet ik me op de grond zakken en leunde tegen de muur. Het is niets, vertelde ik mijzelf. Juist nu ze zelf de openbaarheid zoekt, kan ik het aan de kaak stellen. Dit is een stap dichter naar de publieke discussie. Enkele minuten reguleerde ik mijn ademhaling zoals ik dat met mijn man had geoefend. Toen nam ik een spurt naar de wc en stuurde de zes gangen van het diner retour. Ik spoelde mijn mond honderd keer maar bleef het zuur in mijn keel voelen. De reflectie van mijn gezicht was meelwit en mijn mascara was een beetje uitgelopen. “Kom op,” zei ik tegen mezelf, en veegde een puppiezacht velletje toiletpapier over mijn wallen. Daarna nam ik een lippenstift uit mijn tas en tekende koortsige blosjes op mijn wangen. “Ik zal ze een poepie laten ruiken.”
Toen ik terugkwam in de zaal bleef ik in de deuropening staan. Over het scherm trokken de uitdrukkingsloze gezichten van honderden, duizenden Duitse soldaten. Bruinhemden, al was de film zwart-wit. De camera zoomde uit en toonde de grenzeloze massa. Vanuit het verleden brachten de nationaal-socialisten ons een gedisciplineerde groet. En wij, wij stonden op uit onze stoelen en klapten in onze handen om ieder protest te overstemmen, wij klapten minutenlang om onze eigen echo niet te horen, tot onze handen blauw en rood zagen van het geweld, tot het verzengende gouden licht weer ontstak en alles deed vergeten.
Na het applaus trof ik Erik niet meer. Ik zocht hem in alle zalen, tussen de dansende stellen, achter zuilen en zelfs in het herentoilet. Toen ik in paniek begon te raken, was ik niet de enige. Om mij heen maakten mensen zich druk om zo iets onbenulligs als rook. Het is een feestje, mensen, dacht ik, natuurlijk is er rook. Maar waar is Erik?
Nee. Waar rook is, is vuur. En de rook was overal. Want de brand zat in de muren, de isolatie, het ventilatiesysteem! Hier was over nagedacht – de brand was overal! Waar was Erik?

“Rustig maar, mevrouwtje,” zei een jonge agent. Hij bood me een schone zakdoek aan waar ik mijn wangen mee afveegde. Grijs gaf ik hem terug.
“Wilt u even meegaan naar het bureau, voor een verklaring?”
Wat had Erik ook alweer gezegd? Vanavond was mijn kans. Natuurlijk kon ik hem na de lezing niet meer vinden, hij was mijn toekomst aan het verzegelen. Zo had hij mij aan een zeepkist voor deze zaak geholpen. Dit had hij voor mij over. Ik moest me vermannen, nu, en een verklaring afleggen.

Eindelijk is mijn verhaal opgeborgen, opdat het niet verloren gaat. De misstanden in de academische wereld zijn opgenomen in de archieven, Erik, en daar dank ik je voor. Eindelijk kan ik bloeien in mijn moederschap en alles vergeten.